→ login

Praktische oefeningen - Thematisch

Afspraken en regelingen

Je luistert naar een aantal belangrijke afspraken aan het begin van een cursus. Je noteert de afspraken. Je leert woordenschat rond het thema 'afspraken'.
Je gaat op zoek naar de betekenis van een aantal veeloorkomende borden op de luchthaven. Je luistert naar een paar audiofragmenten en verbindt deze met het juiste bord.
Je bepaalt op basis van een aantal e-mails welk restaurant het meest geschikt is voor een etentje. Je leert hoe je een tafel moet reserveren in een restaurant.
Je luistert naar een aantal dialogen, en duidt op basis daarvan aan welke openingsuren de juiste zijn. Je werkt met woordenschat rond het thema 'openingsuren en officiële instanties'.
Je leest een informatiefiche van een zwembad en vult dialogen aan. Je luistert naar twee dialogen en beantwoordt vragen. Je werkt met woordenschat rond het thema 'openingsuren en officiële instanties'.
Je leert hoe je een afspraak moet maken met de dokter, met vrienden, met collega's,... Je leert op basis van een agenda hoe je moet reageren wanneer iemand een afspraak wil maken.
Je leert de Belgische wegcode begrijpen. Je bepaalt op basis van de wegcode welke boete bepaalde overtreders zullen krijgen. Je leert woordenschat rond het thema verkeer.

Contacten met officiële instanties

Je leert hoe je in de bibliotheek een boek bestelt. Je werkt met woordenschat rond het thema literatuur
Je luistert naar een aantal dialogen, en duidt op basis daarvan aan welke openingsuren de juiste zijn. Je werkt met woordenschat rond het thema 'openingsuren en officiële instanties'.
Je leest een aantal situaties en bepaalt welke hulpdienst ter plaatse komt. Je luistert naar een aantal gesprekken en beschrijft wat er is gebeurd. Je werkt met woordenschat rond het thema 'contacten met officiële instanties' en 'problemen'.
Je leest een aantal situaties en duidt aan op welke dienst van het gemeentehuis deze mensen moeten zijn. Je luistert naar voicemailberichten van het gemeentehuis en beantwoordt vragen. Je werkt met woordenschat rond het thema 'officiële instanties'.

Transport

Je luistert naar een dialoog tussen een autoverhuurbedrijf en een klant. Je vult een finche in voor de klant. Je werkt met woordenschat rond het thema 'transport'.
Je leest over ergernissen bij pendelaars. Je leert hoe je ergernissen over het openbaar vervoer kan uiten. Je werkt met woordenschat rond het thema 'openbaar vervoer'.
Je leert hoe je een ticket moet kopen voor de trein. Je leert hoe je informatie kan vragen over de vertrek- en aankomsttijdens van de trein. Je werkt met woordenschat rond het thema 'transport'.
Je leest een aantal getuigenissen van pendelaars. Je werkt met woordenschat rond het thema 'het openbaar vervoer'. Je leest een kort interview en beantwoord enkele vragen.
Je werkt met woordenschat rond het thema 'verkeer'. Je leert de betekenis kennen van een aantal belangrijke verkeersborden.
Je leest brochures van verschillende auto's en zoekt voor verschillende personen de meeste geschikte auto. Je werkt met woordenschat rond het thema 'transport'.
Je leest een tekst over voorrang. Je werkt met woordenschat rond het thema 'verkeer'
Je leert de Belgische wegcode begrijpen. Je bepaalt op basis van de wegcode welke boete bepaalde overtreders zullen krijgen. Je leert woordenschat rond het thema verkeer.
Je leest een artikel over ritsen in het verkeer. Je leert woordenschat rond het thema verkeer.

Wonen

Je leert hoe je een factuur moet lezen en een overschrijvingsformulier moet invullen. Je werkt met woordenschat rond het thema 'wonen'.
Mieke heeft een plattegrond getekend van haar nieuwe studio. Ze bespreekt met Jonathan waar ze hun meubels gaan plaatsen. Je luistert naar de dialoog, en zet de meubels op de juiste plaats. Je werkt met preposities en woordenschat rond het thema 'wonen'.
Je leert de Nederlandse benaming van de voornaamste huishoudelijke taken.
Je leest een tekst over de stad of het platteland en bepaalt of een aantal personen in de stad moeten wonen of op het platteland. Je luistert naar een discussie en plaatst argumenten bij de juiste persoon. Je werkt met woordenschat rond het thema 'wonen' en 'nutsvoorzieningen'.
Je zet een aantal fragmenten van een tekst over wonen in de juiste volgorde. Je werkt met woordenschat rond het thema 'wonen'
Je leest een aantal tips om energie te besparen. Je werkt met woordenschat rond het thema 'energie' en 'nutsvoorzieningen'. Je luistert naar een audiofragment en vult een tabel aan.

Consumptie

Je leest een aantal dialogen tussen bakkers en klanten. Je leert de Nederlandse benaming van de voornaamste producten die bij de bakker verkocht worden.
Je leert de Nederlandse benaming van de voornaamste groetensoorten. Je leest twee recepten en duidt aan welke groentensoorten je nodig hebt.
Je leest de bereidingswijze van een cake. Je werkt met woordenschat rond het thema 'koken'.
Je bepaalt op basis van een aantal e-mails welk restaurant het meest geschikt is voor een etentje. Je leert hoe je een tafel moet reserveren in een restaurant.
Je leert de Nederlandse benaming van de voornaamste fruitsoorten. Je leest twee recepten en duidt aan welke fruitsoorten je nodig hebt.
Je beantwoordt vragen op basis van een catalogus over koelkasten. Je luistert naar een dialoog tussen een klant en een verkoper en duidt aan welke koelkast de klant koopt.
Je zet fragmenten over vleescomsumtie in de juiste volgorde.

Communicatie en media

Je leest de programmatie van televisie en beantwoordt enkele vragen. Je werkt met woordenschat rond het thema 'media' en 'televisie'.
Je leest een brochures van GSM-abonnementen. Je zoekt voor een aantal personen het meest geschikte GSM-abonnement, en je houdt daarbij rekening met verschillende criteria. Je werkt met woordenschat rond het thema 'communicatie'.
Je leert hoe je in de bibliotheek een boek bestelt. Je werkt met woordenschat rond het thema literatuur
Je leest een affiche van een toneelstuk. Je werkt met woordenschat rond het thema 'cultuur'.
Je leert hoe je een programmatie voor televisie moet lezen. Je luistert naar een dialoog en bepaalt naar welke film de sprekers moeten gaan. Je werkt met woordenschat rond het thema 'media' en 'communicatie'.

Toerisme en vakantie

Je leest een korte tekst over de kerstvakantie. Je leert wat typisch is voor de zomer, en wat typisch is voor de winter. Je zet de juiste tekst bij een aantal vakantiefoto's.
Je leest twee hotelreservaties en beantwoordt enkele vragen. Je luistert naar een dialoog, en vult een reserveringsformulier in.
Je zet fragmenten van een kort reisverhaal in de juiste volgorde. Je leert relevante vragen stellen over reizen.
Je leert tijdsoriënterende begrippen zoals 'morgen', 'overmorgen' en 'eergisteren' gebruiken.
Je leest een tekst over alpinisten en je luistert naar een update op de radio.
Je luistert naar een audiofragment en vult een tabel in. Je werkt met woordenschat rond het thema 'toerisme'
Op basis van informatie die je uit een audiofragment haalt ga je op zoek naar het meest geschikte hotel om een meeting te laten doorgaan. Je werkt met woordenschat rond het thema 'toerisme'.

Studie en onderwijs

Je leert relevante vragen stellen om je in te schrijven in een cursus. Je leert hoe je een inschrijvingsbrochure moet lezen.
Je leert een aantal belangrijke afspraken aan het begin van een cursus. Je luister naar een docent, en je noteert de belangrijkste afspraken.
Je leest een brief over de sportdag van een school en beantwoordt een aantal vragen. Je leert de Nederlandstalige benaming van een aantal sporten en kledingstukken.
Je leest een brief van de school. Je bekijkt een catalogus van schoolmateriaal en berekent hoeveel iemand moet betalen voor het schoolmateriaal van zijn zoon en dochter. Je werkt woordenschat rond het thema 'school'.
Je leest een aantal sms'jes van mensen die te laat komen in de cursus. Je schrijft zelf vier sms'jes.
Je brengt orde in de mappen van een slordige student. Je luistert naar een dialoog tussen een leerkracht en een ouder en vult een schoolrapport aan. Je werkt met woordenschat rond het thema studie.
Je leest een tekst over het Belgische onderwijssysteem. Je bepaald tot welk type onderwijs een aantal richtingen behoren. Je leert woordenschat rond het thema school
Je luistert naar een interview met een student geneeskunde en beantwoordt vragen. Je zet een aantal fragmenten uit het interview in de juiste volgorde.
Je bepaalt op basis van de gegevens uit een brochure hoe hoog de studietoelage bedraagt die bepaalde personen krijgen.

Vrije tijd, cultuur en ontspanning

Je leert de affiche van een toneelstuk begrijpen. Je leert woordenschat rond het thema theater.
Je leert hoe je in de bibliotheek een boek bestelt. Je leert woordenschat rond het thema literatuur
Je leest een tekst over alpinisten en je luistert naar een update op de radio.

Gezondheid

Je vult een enquête in over gezondheid. Je leert woordenschat rond het thema gezondheid.
Je leest dialogen tussen een dokter en een patiënt. Je leert de Nederlandse benaming van een aantal ziekten.
Je zet fragmenten van een tekst over griep in de juiste volgorde. Je leert woordenschat rond het thema gezondheid.
Je leest een brochure over Eerste Hulp Bij Ongevallen. Je bekijkt foto's, en beantwoordt vragen. Je leert woordenschat rond het thema gezondheid.
Je leert hoe je medicijnen moet vragen bij de apotheker. Je leert hoe je een bijsluiter moet lezen. Je leert woordenschat rond het thema gezondheid en medicatie.

Politiek en financiën

Je leert woordenschat rond het thema verkiezingen en politiek
Je leert hoe je informatie over bankrekeningen moet lezen. Je werkt met woordenschat rond het thema de bank
Je leest een artikel over kredieten en schulden. Je leert woordenschat rond het thema geld.
Je vult een financiële enquête in en leert aan de hand daarvan de voornaamste woordenschat rond het thema 'financiën'. Je luistert naar een korte reportage en beantwoordt enkele vragen.

Spreken over mensen

Je leert de kleuren van een aantal Europese vlaggen. Je leert de Nederlandse benaming van een aantal Europese landen en nationaliteiten.
Je leert iemands uiterlijke kenmerken beschrijven. Je luistert naar opsporingsberichten en linkt het bericht aan de juiste persoon.
Je luistert naar een audiofragment over het thema 'familie' en beantwoordt enkele vragen. Je luistert naar een korte reportage over het huwelijk en kinderen en beantwoordt vragen. Je werkt met woordenschat rond het thema 'familie'.
Je werkt met woordenschat rond het thema 'verkeer'. Je leert de betekenis kennen van een aantal belangrijke verkeersborden.

Oriëntatie in ruimte en tijd

Je leert de klok lezen in het Nederlands.
Je leert hoe je de weg moet vragen en hoe je de weg moet uitleggen.
Je leert de betekenis van zes tijdsbepalende woorden en hun tegengestelde.
Je luistert naar twee audiofragment en zet de informatie in de juiste volgorde. Met deze oefening oefen je jaartallen.
Je leert tijdsoriënterende begrippen zoals 'morgen', 'overmorgen' en 'eergisteren' gebruiken.
Je beantwoordt vragen op basis van een catalogus over koelkasten. Je luistert naar een dialoog tussen een klant en een verkoper en duidt aan welke koelkast de klant koopt.

Natuur en milieu

Je leert een geschreven en een gesproken weerbericht begrijpen. Je leert woordenschat rond het thema weer
Je leest een tekst over de stad of het platteland en bepaalt of een aantal personen in de stad moeten wonen of op het platteland. Je luistert naar een discussie en plaatst argumenten bij de juiste persoon.
Je leest een aantal tips om energie te besparen. Je leert woordenschat rond het thema energieJe luistert naar een audiofragment en vult een tabel aan.
Je leert wat een ecologische voetafdruk is. Je leest ook een aantal tips om je ecologische voetafdruk te verkleinen. Je luistert naar een kort nieuwsfragment. Je werkt met woordenschat rond het thema milieu.

Cultuur

Je leest een affiche van een toneelstuk. Je werkt met woordenschat rond het thema 'cultuur'.
Je leest een tekst over vinyl en cd's. Je leert woordenschat rond het thema muziek.
Je leest een tekst over het ontstaan van Sinterklaas. Je luistert naar een reportage over racisme en beantwoordt vragen.
Je leest een artikel over het ontstaan van vrouwendag. Je luistert naar een radiointerview over vrouwendag en beantwoordt vragen.

Werk

Je leest een vacature en zoekt op basis van een aantal CV's de juiste kandidaat. Je luister naar drie sollicitatiegesprekken en linkt deze aan het juiste CV. Je werkt met woordenschat rond het thema 'jezelf voorstellen' en 'werk'.
Je leest een aantal sms'jes van mensen die te laat komen in de cursus. Je schrijft zelf vier sms'jes.
Je leest vier vacatures en zoekt een geschikte kandidaat. Je leert hoe je jouw professionele eigenschappen kan verwoorden.
Je vergelijkt twee verschillende jobs met elkaar. Wat zijn de verschillen tussen deze jobs? Je bekijkt een loonfiche en beantwoordt enkele vragen. Je werkt met woordenschat rond het thema 'werk'.
Je leest een artikel over Belgische lonen. Je leert woordenschat rond het thema werk en arbeidsvoorwaarden.
Je luistert naar een interview met een student geneeskunde en beantwoordt vragen. Je zet een aantal fragmenten uit het interview in de juiste volgorde.
Je leest een tekst over hoe je een slechtnieuwsgesprek moet voeren. Je linkt een aantal uitspraken aan de tekst. Je luistert naar een verknipt slechtnieuwsgesprek en zet de fragmenten in de juiste volgorde. Daarna beantwoord je een aantal inhoudelijke vragen over het gesprek.
Je leest een artikel over diefstal op het werk. Je luistert naar een radiointerview over een 'kliklijn' en beantwoord vragen.